Gastspreker van de maand

Klik op de titel om naar het betreffende stuk te gaan.

Een overweging om stil van te worden: "Wat te doen in de huidige tijd: meelopen of ...", Trudy Vester, voorganger te Amersfoort
"De wereld staat niet stil na Jezus dood", Trudy Vester, voorganger te Amersfoort
"Zonder titel?", Toine van den Hoogen, emeritus-hoogleraar theologie, religie en samenleving, economie en religie, aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
"Zoeken naar een thuis voor mezelf en God", Ds. Anette Sprotte, PKN-predikant en oecumeen
"Preek van de Leek: Van God los!?", Petra van der Horst
"Laudato si´ is een oproep om te stemmen", Willem Marie Speelman, Franciscaans Studiecentrum
"Verliest de kerk zich in regels die niets met de boodschap van Jezus te maken hebben?", Fred van Kan, voorganger r.k. geloofsgemeenschap St. Franciscus Xaverius
"Moed en vrijheid", Joris Vercammen, oud-katholiek aartsbisschop van Utrecht>
"Welkom, Oorsprong van binnen", André Wesche, Dominicus Amsterdam, Pinksteren 2015

Een overweging om stil van te worden: "Wat te doen in de huidige tijd: meelopen of ...", Trudy Vester, voorganger te Amersfoort

Overweging tweede zondag van de advent, 4 december 2016 bij Jesaja 11,1-10 en Matteus 3, 1-12

Je hebt in de wereld vele vormen van leiders, goede en inspirerende, maar ook waarvan je denkt: hier wordt de wereld niet beter van. Soms verlang ik, te midden van deze leiders wel eens naar een echt goede, zoals Johannes, maar liever nog zoals Jezus. En als dat niet kan, dan op zijn minst een die zich door hen geheel laat inspireren. Tastbaar in ons midden. Zo eentje met wijsheid en inzicht, goed beleid, kennis van zaken en ontzag voor de Heer, zoals Jesaja dat zo mooi beschrijft. Eén die niet gaat voor uiterlijke schijn of zijn eigen macht en rijkdom, maar oog en oor heeft voor iedereen, die gaat voor eerlijkheid en gerechtigheid. En die dan ook nog kan zorgen dat het beter gaat in de wereld. Dat zou toch wel heel fijn zijn. En tegelijk besef ik ook dat dat veel te makkelijk zou zijn. Wij hebben van God immers ons eigen verstand en geweten gekregen, waarmee we zelf tot inzicht en wijsheid kunnen komen en we dit visioen van een andere samenleving in ons dagelijks bestaan zelf vorm kunnen geven. Daar zit echter tegelijk het probleem. Dat is vaak erg moeilijk, want de wereld om ons heen gaat veelal voor eigen gewin. Dat vraagt dus een ingaan tegen de stroom. En dat is dan ook nog vaak een hele sterke stroom. Dat vraagt moed, doorzettingsvermogen, een lange adem en vertrouwen, in God, in jezelf, met daarbij graag een aantal medemensen die samen met jou die weg willen gaan.

Meelopen met mensen, charismatische leiders zoals Johannes of Jezus, is daarom wel zo makkelijk. Maar als we eerlijk zijn, laten veel volgelingen dergelijke leiders ook vaak de kastanjes uit het vuur halen. En als het moeilijk wordt, zijn deze volgelingen vaak verdwenen. Dat zagen we ook toen Jezus veroordeeld werd. En tenslotte, dergelijke goede leiders hebben niet het eeuwige leven, komen vaak zelfs vroegtijdig aan hun einde, dus dan komen we toch weer bij onszelf uit en de vraag wat doe jijzelf? Durf jij, durven wij (want we deden het samen, weet u nog) door te gaan op hun weg, ook zonder die charismatische leider? Gelukkig leeft hun gedachtegoed vaak voort en kunnen we ons daar steeds weer door laten inspireren. Bij Jezus is dat zeker het geval. Door de bijbel zijn wij met Hem bekend, met hoe Hij dacht en handelde, hoe Hij zich totaal liet inspireren door God. Hij bracht God onder ons mensen aanwezig, Hij liet Hem zien. Hij doopt met vuur. Niet voor niets noemen we Hem 'het licht der wereld', vieren wij zijn geboorte en gedenken wij zijn leven en sterven. En iedere keer wanneer we over Hem lezen, maar ook wanneer we vele andere Bijbelverhalen horen of psalmen zingen, worden we opgeroepen stil te staan bij de vraag wat ons geloof nu voor ons betekent. Vandaag de dag. Wat wil God van ons mensen? Hoe zou Hij de wereld graag zien? En wat kunnen wij daaraan bijdragen? In de advent denken we hierover speciaal na aan de hand van de verwachte komst van Jezus, en dan zowel wat betreft zijn geboorte met kerst als zijn wederkomst, wanneer die dan ook komen mag. Wat betekende zijn manier van leven voor ons? De meesten van ons zijn gedoopt met water bij onze geboorte. Heeft Hij ons daarna geraakt met zijn heilige vuur, zoals Johannes voorspelde? Maken wij zijn paden recht? Zetten wij ons in voor een wereld waarin wolf en lam samenleven? In hoeverre doen we dat? Of laten we ons toch te veel meetrekken door alle minder goede invloeden om ons heen? Zijn we soms net als de farizeeën die denken dat het wel goed zit, omdat ze zonen van Abraham zijn, omdat ze tot het juiste volk ofwel tot de gelovigen behoren en dat dat genoeg is? Keer op keer probeert Jezus zijn toehoorders wakker te schudden Let op hoe je leeft, hoe je denkt, wat je doet. Blijf daarover nadenken, blijf kritisch ten opzichte van jezelf, wordt niet zelfgenoegzaam en gemakzuchtig. Dat niet het zwarte u grijpt, zo zongen we.

En dan ineens word je in alle donkerte, geraakt door iets wat je leest, wat je hoort, wat anderen doen. Dichtbij en ver weg. Bijvoorbeeld de Sinterklaasbank, waardoor veel kinderen toch een cadeautje kunnen krijgen. Of de Kinder-Nobelprijs voor de vrede. Deze kinderen zetten zich al op heel jonge leeftijd vol overtuiging in voor andere jongeren en een andere wereld. Drie meisjes waren genomineerd: zij strijden tegen milieuvervuiling en voor duurzaamheid, tegen kindhuwelijken en voor beter onderwijs, en voor vrede en tegen radicalisering. Soms in heel moeilijke situaties. En we kennen allemaal het voorbeeld van Malala, die er, zo jong als ze was, zelfs voor neergeschoten werd. Maar zich ook daarna niet liet tegenhouden. Redding in de vorm van mensen die Gods licht laten zien. En dan denk ik wel eens bij mezelf: ik suf ook maar door hier in het westen, in mijn warme veilige huis. Wat doe ik nu eigenlijk? Hoe maak ik nu iets van die inspiratie, van dat Licht dat Jezus ons heeft gebracht en heeft voorgedaan, waar?

Tegelijk weet ik, dat we niet allemaal grote leiders kunnen zijn. Dat het niet alleen om grote dingen gaat, maar vooral om kleine dingen. Een vriendelijk gebaar, een hartelijk woord, zorg voor iemand die ziek is, een helpende hand, aandacht en medeleven. Elkaar zien staan. Steeds opnieuw. Als we daar in het klein ons mee bezighouden, dat blijven doen, dan komen we al een heel eind. Zo zijn alle bijzondere en inspirerende mensen namelijk ook begonnen. In het klein. En als we eerlijk zijn: als alle mensen in het klein goed zijn voor elkaar, hun best doen de wereld een beetje leefbaarder te maken, dan hoeven de grote dingen helemaal niet meer aangekaart te worden, dan hebben we die charismatische leiders om achteraan te lopen of ons te inspireren helemaal niet meer nodig. Want dan is er geen onrecht en oorlog meer, geen ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Dan worden mensen niet uitgebuit of mishandeld, uitgehuwelijkt of onderdrukt of erger nog, vermoord. Dan doet niemand de ander nog kwaad en wordt er door niemand meer verderfelijk gehandeld. Dan liggen wolf en lam tezamen, zoals Jesaja met zijn visioen voorspelde. Dan hebben we genoeg aan dat kleine kind dat we verwachten met Kerst. Nieuw leven, nieuwe hoop, nieuwe kansen. Een kind dat vol vertrouwen, zonder vooroordelen naar de wereld kijkt, dat nog geen haat of onrecht kent, maar enkel liefde en vrede.

Een wereld waarin nieuw geborenen geen oorlog meer geleerd wordt, zover zijn we helaas nog niet. Maar dat is geen reden ons te laten ontmoedigen, maar juist reden ons te blijven inzetten, op allerlei manieren door er steeds opnieuw te zijn voor elkaar, door dat vuur van Gods Geest brandend te houden. Als we dat proberen, dan zullen we ontdekken dat er iets van die andere wereld mogelijk is, dat waar mensen het samen dragen, lijden echt opgeschort wordt. Dat er daglicht is, en dat dit het uiteindelijk zal winnen van de duisternis.

Dat wij iets van dit licht mogen ervaren en uitdragen in ons bestaan. Moge het zo zijn.

Trudy Vester

Terug naar boven, datum plaatsing: 5 december 2016

"De wereld staat niet stil na Jezus dood", Trudy Vester, voorganger te Amersfoort

Hand 5,27b-35a.38-41, Joh 21,1-19

De apostelen gaan vandaag in het evangelie weer gewoon aan het werk. Jezus is gestorven, zijn graf is leeg. Ze gaan terug naar de orde van de dag. Zoals wij dat ook doen wanneer we iemand verloren hebben. Want je kan niet stil blijven staan, je moet verder. Je oude leven weer opnemen. Maar hoe doe je dat en wat is de invloed van wat je hebt meegemaakt? Want dat draag je wel met je mee. Niets wordt ooit meer hetzelfde.
Het kan daarom ook zijn dat Johannes een diepere bedoeling had met dit verhaal. De wereld staat niet stil na de dood van Jezus. De leerlingen moeten verder, ze moeten hun brood verdienen en hun beroep uitoefenen. Er is geen wonderwereld ontstaan waar alles anders gaat. De bezetter is er nog steeds, de tegenstanders zijn er nog, de twijfel en de tegenslag. Maar tegelijk is er ook niets meer hetzelfde. Want als je eenmaal contact gehad hebt met Jezus, vergeet je dat nooit meer. Dat blijft je altijd bij.

Het onlangs gehouden onderzoek 'God in Nederland' was, zoals al jaren het geval is, niet positief. Nooit geloofden zo weinig mensen in God en nooit gingen zo weinig mensen naar de kerk. Zelfs spiritualiteit groeit niet meer. Maar op paaszaterdag stond er een tegengeluid in de krant: God en geloof zijn helemaal niet voorbij. Mensen zeggen misschien niet in God te geloven, maar er keken wel 3 miljoen mensen naar The Passion. 'De dood heeft niet het laatste woord', werd daar gezegd, en iedereen voelde zich met die uitspraak en met elkaar verbonden. Met de hoop en de kracht die dat uitstraalt. Het feit dat er steeds minder mensen zeggen te geloven of naar de kerk gaan, betekent niet dat religie uit de samenleving verdwijnt. Secularisatie betekent niet het einde van religie, zo zei het artikel. Misschien betekent het wél het einde van religie in de vorm zoals wij die kennen. In het boek 'oud worden zonder het te zijn' maakte Rudi Westendorp een treffende vergelijking met een oude bijbel. Deze was zo oud, dat hij uit elkaar viel. Maar, zo schreef hij, de boodschap die erin stond, is niet voorbij. Het zegt ons nog steeds hoe te leven. Daar gaat het om. Misschien moet er een andere vorm gevonden worden om ons geloof handen en voeten te geven in de wereld van nu. We moeten immers wel meegaan met de tijd waarin we leven en niet stil blijven staan in het verleden.

Daar komt de overeenkomst tussen de leerlingen toen en ons hier en nu om de hoek kijken. De leerlingen zijn samen met Jezus opgetrokken tegen de gevestigde orde, tegen de strakke Joodse wetten waarbij door de starre uitleg mensen uit het oog verloren werden. Nu moeten ze zonder Hem verder. Zoals wij verder moeten zonder de grote volkskerken, zonder dat er iets of iemand is die het voortouw neemt waar we achteraan kunnen lopen. We moeten zelf aan de slag. Net als de leerlingen. Het gemakkelijke tijdperk van meelopen is voorbij.
Terug op hun vertrouwde plek vissen de leerlingen, als altijd, 's nachts, wat ooit de beste tijd was om te vissen. Maar ze vangen niets. In het perspectief van Jezus is de nacht de duisternis, tegengesteld aan het licht, het licht dat Hij is voor ons mensen. Vanuit dat oogpunt is het niet vreemd dat ze niets vangen. Als het licht wordt, beginnen de wonderlijke gebeurtenissen. Jezus verschijnt aan de oever van het meer en zegt ze nog eens hun netten uit te werpen, maar dan aan de rechterkant. De rechte, de goede kant. En dan vangen ze zoveel dat ze het niet eens binnen kunnen halen. De leerling van wie Jezus hield herkent Hem als eerste. 'Het is de Heer', zegt hij. Petrus neemt vervolgens in zijn karakteristieke onstuimigheid het voortouw en laat de anderen de vangst binnenslepen. Hij rent naar de kant. De boodschap is duidelijk: alleen met en door Jezus kunnen de leerlingen vrucht dragen.
Drie keer vraagt Jezus aan het einde van deze tekst aan Petrus of hij Hem liefheeft. En drie keer antwoordt Petrus positief. Het is een verwijzing naar de drie keer dat Petrus Jezus verloochende en een moment van vergeving. En toch, het doet hem pijn dat Jezus het maar blijft vragen. Het is voor hem, ondanks alles, aan alle kanten duidelijk. Maar het is dan ook een zware opdracht die Jezus van hem vraagt.

Misschien kunnen we de vraag ook eens onszelf stellen: geloof je nog in Jezus, houd je nog van Hem? Ja, zullen velen van ons zeggen. Maar als ons dat ook drie keer vlak achter elkaar gevraagd wordt, zullen velen van ons ook enigszins geïrriteerd raken. En in die irritatie word je vaak steeds stelliger. Want je wilt dat die ander luistert. Misschien hebben ook wij wel zo'n prikkel nodig om aan het werk te gaan met ons geloof, het uit te dragen in de maatschappij van vandaag, de waarde ervan te laten zien. Niet om mensen te bekeren, maar om de kracht van de boodschap van hoop en liefde levend te houden.
Petrus is uiteindelijk inderdaad de rots geworden waarop Jezus zijn kerk bouwt. Hij gaat vol overtuiging aan het werk om het woord van en de verhalen over Jezus te verspreiden. Hij wordt er voor vervolgd en uiteindelijk voor gedood.

En wij? Het oppositiegeluid van Jezus is nog even hard nodig als toen. Een tegengeluid tegen machthebbers en de gevestigde orde waarbij mensen het onderspit delven, uit de boot vallen, niet gezien en gehoord worden. Een tegengeluid tegen geweld, een oproep tot naastenliefde, samenleven, samen delen, oog en oor voor elkaar. Niet volgens de regels van menselijke wetboeken, maar volgens de regels van naastenliefde, menselijkheid. De wetten van God, waar Petrus zo trots op is om voor vervolgd te worden. Het zijn wetten die veel mensen vervelend vinden, want het schud aan hun bestaan. Maar het zijn de enige wetten die de wereld kunnen veranderen.
Laten we ons niet uit het veld laten slaan doordat we soms niet weten hoe verder te gaan, doordat we als gelovigen en kerk samen ouder worden en naar de rand van de samenleving verschuiven,maar laten we op zoek gaan naar de kracht die we samen delen. En die verder brengen. Hoe dat precies moet, weet ik niet. Ik weet wel dat er behoefte aan is. Dat bleek bij the Passion, Dat zie je ook op andere momenten, bijvoorbeeld wanneer mensen samen rouwen of vieren, waar mensen zoeken naar verbinding.
Ik denk dat we als gelovigen nog steeds een prachtige boodschap hebben om te verspreiden. Dat we dit niet alleen hoeven te doen, dat het niet alleen mensenwerk is, maar dat dit van God komt, blijkt uit het feit dat dit visioen nog steeds voortleeft. De boodschap is blijven bestaan. Nog steeds zetten mensen zich hiervoor in. De Farizeëer in Handelingen zei het al: als deze beweging enkel mensenwerk is, zal ze mislukken; als ze van God komt, heeft het geen zin ertegen te vechten. Het gaat om hoop, geloof, liefde en vergeving. Een boodschap die sterker is dan alle menselijke pogingen die te onderdrukken. En dank God, er zijn nog steeds mensen die deze boodschap levend houden. Die Hem bestaan, zien en beleven. Laten we vooral samen blijven zoeken naar wegen dit te zichtbaar te maken en blijven werken aan die nieuwe hemel, vrede op aarde, die enkel kan beginnen bij onszelf. Misschien moeten we daarvoor buiten de gebaande paden gaan, de confrontatie opzoeken. Zo is het ook ooit begonnen. Met die ene man en een paar volgelingen. Dus waarom zouden wij, als wij ons aangesproken voelen door zijn oproep 'volg mij', dit ook niet doen?

Trudy Vester

Terug naar boven, datum plaatsing: 11 april 2016

"Zonder titel?", Toine van den Hoogen, emeritus-hoogleraar theologie,
religie en samenleving, economie en religie, aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Wat waren we als christenen gelukkig in de ‘sixties’, toch? We hoorden nog zo duidelijk bij elkaar, nou ja, de katholieken dan in hun eigen zuil en zo ook de andere geloofsbroeders en –zusters in hun eigen zuil. En ieder begon in de eigen zuil een eigentijdse inhoud te geven aan wat we beschouwden als onze maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat gebeurde in de politiek, in de vakorganisaties, in allerlei clubs voor vrije tijd en voor cultuur. We hadden daarvoor een duidelijk kompas.Toen hadden we ook nog een titel bij al deze verbanden. Een duidelijke ‘K’ of een even onmiskenbare ‘C’. Nu lijken we ‘zonder titel’ te zitten.

De erfgenamen van deze zuilen zijn er overigens nog steeds. En ze doen vaak veel moeite en besteden veel geld eraan om het erfgoed door de moeilijke baren van het einde van de 20e en begin van de 21e eeuw te loodsen. Je ziet dat bijvoorbeeld in het onderwijs gebeuren en in allerlei organisaties rondom en ter bestrijding van armoede en maatschappelijke ellende. Maar veel handen lijken deze initiatieven in het grote publiek niet meer op elkaar te krijgen. Ons gelovig huis is stukken minder groot geworden en vooral stukken minder aansprekend en bekend bij velen. Gisteren hoorde ik nog een frappant voorbeeld. Een collega van me in de Raad van Kerken was met een groep gymnasium studenten op bezoek geweest in de Stevenskerk in Nijmegen. Omdat ze predikant is van de lutherse kerk, was haar startvraag aan deze meiden en jongens of ze weten wat een dominee is? Een stralend antwoord luidde: ja, dat is toch een spel! We lijken zonder titel te zitten.

Er kan tegenwoordig enorm veel, economisch, sociaal, in de zorg en onderwijs, in de sport; zeker vergeleken met de ‘sixties’ waaruit ik zojuist vertrok. Maar de maatschappelijke conflicten – tussen de autochtone Nederlanders en ook tussen de allochtone mensen in Nederland – lijken ook enorm. Wanneer je het afzet tegen de ‘gelukkige tijd’ (?) van de ‘sixties’ lijken we ons – in de mediacratie waarin we tegenwoordig leven – snel van probleem naar probleem te worstelen. En ook het christelijk geloof en de vertegenwoordigers ervan bestaan allang niet meer in duidelijke zuilen. Het lijkt erop dat we verzand zijn geraakt in de opvatting dat geloof iets van het prive leven is en dat we dat ook vooral achter de voordeur moeten houden.. Er is geen titel meer op de deur.

Is er geen solidariteit meer dan? Draait alles nog slechts om individueel geldgewin? Is zoiets als sociale bewogenheid en christelijke inspiratie in het openbare leven helemaal naar de filistijnen? Wie dat beweert moet eens beter met zijn/haar ogen knipperen. In Nederland en ook daarbuiten bestaan indrukwekkende structuren van sociale zorg, van maatschappelijk en politieke bekommernis, van geldstromen die dit alles mogelijk maken. Maar deze dingen zijn nu terecht gekomen in een geheel andere tijd dan die van de ‘sixties’. In onze tijd, einde 20e en begin 21e eeuw, maken we mee dat de meeste mensen zich geplaatst zien voor een nieuwe context waarin ze hun levenskeuzen maken en moeten maken. Deze context wordt de ‘late moderniteit’ genoemd. Sinds de negentiende eeuw (en niet pas sinds de ‘sixties’) wordt onze samenleving en cultuur doortrokken door de overtuiging dat onze levenskeuzen vooral een zaak zijn van persoonlijke en autonome vrijheid en verantwoordelijkheid. Daardoor werden traditionele, vaak religieuze verantwoordingen van hun gezag ontdaan. Nu, einde 20e en begin 21e eeuw, breekt er een nieuw bewustzijn door van de zaken die voor het maken van levenskeuzen belangrijk zijn. Het is niet langer voor iedereen duidelijk welk kompas de persoonlijke en individuele vrijheid biedt. Steeds weer opnieuw moeten we bij alles wat om keuzen vraagt, zelf bepalen waar we staan. Maar er zijn ook weer ‘titels’. Occupy en ‘Urgenda’ zijn daarvan voorbeelden. En zo zijn er nog veel meer.

Dat is een nieuw gebied waarvoor we als kerken een nieuw kompas moeten ontwikkelen.

Toine van den Hoogen

Terug naar boven, datum plaatsing: 4 februari 2016

"Zoeken naar een thuis voor mezelf en God", Ds. Anette Sprotte, PKN-predikant en oecumeen

nergens en ergens thuis
Ik ben verschillende keren in mijn leven verhuisd maar nooit in levensbedreigende situaties. Ik heb 29 jaar geleden toen ik vanuit Marburg in Duitsland naar Amsterdam verhuisde een nieuwe taal en een nieuwe cultuur leren kennen. Dat was in het begin niet gemakkelijk. Later heb ik het als een verrijking ervaren en ik voel me sinds vele jaren thuis in Nederland. Maar wegtrekken uit je huis, vluchten uit je vaderland om te kunnen leven, dat lijkt me heel moeilijk.

Thuis- wat betekent het eigenlijk? Waar ben jij thuis?
Is thuis de plek waar je geboren bent? Is het de cultuur waarin je bent opgegroeid? Is het je moedertaal die je het gevoel van thuiskomen geeft? We leven tegenwoordig in een tijd waarin het heel gewoon is om ‘global’ te zijn: jongeren trekken de wereld over en zakenmensen kijken niet op een grens hier of daar. In het begin klinkt het spannend als je vertelt dat voor je werk naar Singapore of Dubai vliegt. Maar hoe spannend ook, ik denk dat ieder mens verlangt naar een plek waar je je thuis voelt.

Thuis is voor mij de plek waar ik mezelf mag zijn en samenleef met mensen die me lief zijn. Thuis is waar de geuren, de kleuren en de geluiden mij vertrouwd zijn. Thuis is om met de woorden van Christian Morgenstern* te spreken niet alleen de plek waar ik woon, maar de plek waar ik begrepen wordt . Thuis is een plaats, maar thuis is ook een tijd. Thuis is de soep die je moeder maakte. Thuis is het spel dat je speelde met de kinderen in de straat. Thuis is het huis van je jeugd, waarin je je geborgen en veilig voelde .

Terwijl ik dit schrijf zijn er miljoenen mens op de vlucht voor oorlogsgeweld en op zoek naar een thuis waar ze veilig zijn. Vluchtelingen hebben geen thuis meer. Deze zomer verbleven duizenden vluchtelingen in Calais om de oversteek naar Engeland te kunnen maken in de hoop op een veilige toekomst. Ik werd geraakt toen ik deze foto in de krant zag waarin vluchtelingen daar met schroothout een kerkje hebben getimmerd.

Het symboliseert een plek van geloof en hoop om ergens thuis te mogen zijn.

Geloven als en plek van thuiskomen
Toen ik deze zomer tijdens een kerkdienst in Kumasi in Ghana de hymne ‘Praise to he Lord , the Almighty’ hoorde, voelde dat vertrouwd. Het elkaar dansend begroeten aan het begin van een kerkdienst was nieuw maar niet vreemd. Je wist je met elkaar verbonden door de taal van het geloof, in de liederen en de bijbelse verhalen. Je kunt je thuis voelen in het geloof. Ik heb me de afgelopen vijftien jaar thuis gevoeld in de oecumene . Het leren van elkaars tradities en het zoeken naar een eigentijdse taal van geloven en van wat ons met elkaar verbindt, dat vind ik verrijkend gaan. Het opent je blik voor andere manieren van geloven, andere manieren om de ontmoeting met God te zoeken.

Een thuis voor God?
Met oog op het thema thuis, vraag ik me af of God een thuis heeft in ons leven? Of zijn we zo vervreemd geraakt van God dat er geen plek meer is voor Hem/Haar ? Misschien sta je daar niet altijd bewust bij stil, maar het valt me op dat mensen het op verschillende manieren doen. De één steekt een kaarsje op of bouwt met schroothout een kerkje. De ander vindt steun in liederen en muziek of zoekt God in de stilte. Weer anderen in de grootsheid van de natuur. Ieder zoekt op zijn eigen manier een thuis voor God.

En God zelf? Zoekt God ook een thuis of is God al thuis? Meestal stellen we ons voor dat God in de hemel thuis is. Er is een lied dat mij zeer aanspreekt omdat God daarin een thuis krijgt waar we zorg dragen om mensen:

Ik zal in mijn huis niet wonen,
ik zal op mijn bed niet slapen,
ik zal mijn ogen niet dicht doen
ik zal niet rusten, geen ogenblik,
voordat ik heb gevonden
een plek, waar Hij wonen kan
een plaats om te rusten voor Hem
die God is, de enige ware.

Ik zal in mijn huis niet wonen,
ik zal mijn ogen niet dicht doen
ik zal niet rusten, geen ogenblik,
ik mag versmachten van dorst,
tot ik gevonden heb
een plek waar de doden leven
de plaats waar recht wordt gedaan
aan de verworpenen der aarde.

Huub Oosterhuis,
Liturgische gezangen 474

*“Nicht da ist man daheim, wo man seinen Wohnsitz hat, sondern dort wo man verstanden wird.“

Ds. Anette Sprotte, PKN-predikant en oecumeen.

Terug naar boven, datum plaatsing: 30 oktober 2015

"Preek van de Leek: Van God los!?", Petra van der Horst

Vandaag mag ik de preek van de leek voor u houden.

Ik heb begrepen dat iedereen die hier voor mij de preek heeft gehouden er tegenop zag en menig keer heeft gedacht: was ik er maar nooit aan begonnen. Ik kan het begrijpen want hier staan maakt me kwetsbaar, temeer omdat ik vanuit mijn hart spreek. Maar zoals Stef Bos zingt vanuit zijn hart en mensen weet te raken, zo wil ik vanuit mijn hart spreken. Ik ga het over het vluchtelingenvraagstuk hebben. Ik merk aan mijzelf en aan anderen dat dat een beladen onderwerp is dat emoties oproept. Toch wil ik graag met je delen welke vragen bij mij spelen en hoe ik met behulp van de Bijbel antwoorden voor mijzelf gevonden heb. Ik wil daarom eigenlijk niet preken maar dit gewoon met je delen. Hopelijk draagt dit bij aan je eigen gedachtevorming over dit ingewikkelde onderwerp, en misschien geven mijn overwegingen jou een handvat in deze verwarrende tijd.

Ik heb mijn preek van de leek als titel meegegeven ‘van God los’. Ik roep wel eens “Zijn ze nu helemaal van God los?!” als ik ergens verbijsterd over ben, als ik denk: kennen we nu helemaal geen waarden meer, zijn er geen kaders meer, leven we er maar wat op los? Bijvoorbeeld in situaties waarin mensen ontmenselijkt worden. Als iets wat waardevol is in mijn ogen ontheiligd wordt, gedevalueerd, vertrapt. Dat is het geval als mensen niet medemenselijk zijn. Dan zijn ze van God en van zijn kaders los. Dit raakt mij, omdat ze zichzelf dan eigenlijk reduceren als mens.

In deze vluchtelingencrisis kom ik in de social media de meest vreselijke uitspraken tegen. Die uitspraken van mede-Nederlanders over vluchtelingen doen pijn, en soms roepen ze ook angst bij mij op. Het is voor mij dan goed om te beseffen dat angst een slechte raadgever is, dat ik een andere raadgever nodig heb die duidelijke regels geeft over deze kwestie. Want de vluchtelingenstroom wordt groter en het vluchtelingenvraagstuk ook. Dit vraagstuk zegt iets over ons als maatschappij. Wat voor maatschappij we willen zijn en wat is daarvoor nodig? Tegelijkertijd zegt het vraagstuk iets over onszelf als mens. De vluchteling verblijft dichtbij ons en dwingt ons om te laten zien wie we zijn, waar we voor staan. Daarom moeten we de vraag: hoe gaan we om met de vluchtelingen, niet alleen aan de overheid overlaten. Daar doen we ons zelf en de vluchtelingen mee te kort.

Over de komst van vluchtelingen leven heftige tegengestelde meningen. Mensen die vinden dat we gewoon zonder verder nadenken de vluchtelingen moeten verwelkomen. En mensen die dat helemaal niet zien zitten en klagen over werk en huizen die ingepikt worden. Die argumenten zijn vaak met feiten te weerleggen: oplossingen voor het tekort aan goedkope huurhuizen krijgen door deze grotere vluchtelingenstroom juist meer prioriteit dan voorheen. Gemeenten durven nu eerder na te denken over alternatieve oplossingen. En banen inpikken door Syriërs gebeurt in Libanon . Maar hier in Nederland is eerder het omgekeerde het geval: goed opgeleide vluchtelingen zouden hier weleens moeilijk vervulbare vacatures kunnen opvangen. Maar als mensen angstig zijn is er geen openheid voor argumenten en feiten. En ik vind het terecht dat mensen bezorgd zijn. Bezorgd over de verschillen in culturele achtergronden en andere waarden. Er zijn mensen bij die andere ideeën hebben over de rechten van vrouwen, de rechten van homo’s, etc. Het is goed dat we daar niet luchthartig over doen. Soms kaarten mensen ook aan dat het gaat om getraumatiseerde mensen die in sommige gevallen al vele jaren in mensonterende omstandigheden hebben geleefd en dat dat natuurlijk de nodige problemen op gaat leveren als zij bij ons komen wonen. Ook dat is wat mij betreft een terechte zorg. Ik kan mij inleven in zowel voor- als tegenstanders van de komst van vluchtelingen. Ik vind het belangrijk dat voor beide geluiden een open oor is mits het gebeurt zonder demoniseren van het tegengeluid. Dat is wat mij betreft de enige weg om te voorkomen dat we met elkaar in conflict komen.

Angst voor vluchtelingen of angst voor de heftige tegenreacties op de komst van vluchtelingen. Je kunt ervan in de war raken. Het is goed dat we onze wijsheid zoeken bij een externe bron. En wat mij betreft is die wijsheid in de Bijbel te vinden.

In de Bijbel wordt op verschillende plekken gesproken over vluchtelingen. En de kern is elke keer weer dat de vreemdeling gastvrij onthaald wordt. Omdat jij morgen wel eens die vluchteling zou kunnen zijn die hulp nodig heeft en afhankelijk is van een ander. Afhankelijkheid vinden we moeilijk. Het voelt als zwak. Maar deze moeite met kwetsbaarheid, met afhankelijkheid die wat mij betreft ook echt bij onze moderne individualistische westerse samenleving hoort kan er ook voor zorgen dat we van mening zijn dat een ander zichzelf maar moet redden en dat het jouw verantwoordelijkheid niet is. De Bijbel zegt echter: het is je plicht, jij had ook die vluchteling kunnen zijn. Als je in de ogen van een vluchteling kijkt, kijk je in je eigen ogen. Helpen dus. In die zin zijn geluiden dat wij niks hoeven te doen voor vluchtelingen en dat ze zich zelf hoeven redden en dat het tuig is onchristelijk. Jij bent zelf een potentiële vluchteling en vanuit die wetenschap heb je te helpen. Dat zegt de Bijbel mij in grote lijnen en ik ga er nu dieper op in.

De tekst: Heb uw naaste lief als u zelf- uit Matteus 22 ken je waarschijnlijk wel.. Het is een testvraag aan Jezus door een slimme wetgeleerde “Jezus, wat is het allerbelangrijkste wat in de wet staat?” Het antwoord: Hou van God met alles wat je hebt, met je hart, je ziel en je verstand- dat is de eerste en belangrijkste wet. Maar de tweede wet is net zo belangrijk: “Hou net zoveel van de ander als van jezelf”” Die ander is ook degene die anders denkt en leeft. De tekst leert mij dan ook een aantal dingen: Respecteer de ander net zoals je jezelf respecteert. Je bent gelijkwaardig aan de ander. De ander is niet minder, niet lager, niet beter, niet hoger dan jij bent. Dat is confronterend. Want ook in het vluchtelingenvraagstuk zien we de neiging om de vluchteling te criminaliseren, er een beest van te maken. Niet meer als mens te zien. Want dan kunnen we de ander op afstand zetten, dan hoeven we er niets mee. Nee, zegt de Bijbel: heb liefde voor de ander ook al is die anders, ook al begrijp je de ander niet. Een hele opgave. Het is al moeilijk om een willekeurige Nederlander met wie je moet samen werken lief te hebben laat staan iemand met andere waarden en normen, een andere levensstijl.

Een ander richtlijn die de Bijbel ons geeft is het verhaal, een parabel, over de Barmhartige Samaritaan- Lucas 10. Barmhartig betekent compassie, mededogen en daaraan gekoppeld daadwerkelijke ondersteuning bieden! Dit verhaal gaf duidelijk antwoord op de vraag van een geleerde aan Jezus: wie is mijn naaste? Er lag een man halfdood en toegetakeld aan de kant van de weg. Hij had hulp nodig van voorbijgangers. Twee van de drie hadden zo hun eigen redenen om geen hulp te bieden. Heel herkenbaar eigenlijk, de smoezencultuur. Smoezen, gegronde redenen zijn volgens mij allemaal te relateren aan angst. Angst voor mogelijke bedreiging, angst voor verlies etc. De derde, een Samaritaan (in het oude Israël werden Samaritanen als tweederangs burgers gezien) helpt de man. Hij verzorgt de wonden, neemt hem mee op zijn rijdier en brengt hem naar een herberg en draagt daar de zorg voor hem over aan de herbergier als hij weer vertrekt. Hij geeft geld voor twee dagen aan de herbergier met de toevoeging: als u meer kosten moet maken betaal ik dat later. Dit verhaal heeft interessante richtlijnen:
Eerst: iedereen die je pad kruist en die je hulp nodig heeft is je naaste. Laat je niet leiden door angst, de slechte raadgever. Geef met een open hart, verzin geen redenen om niet te helpen. Voel je verantwoordelijk voor degene die hulp nodig heeft, geef dat prioriteit en help. Vraag je niet af of iemand die in nood is je hulp wel verdient en of je je geld en energie verspilt. Door je dat af te vragen kun je namelijk onder je eigen verantwoordelijkheid uit komen en niets doen. Daar zit achter dat we zelf willen kiezen wie we helpen. Ik wil niet iedereen als naaste. Ik wil zelf bepalen en onze samenleving heeft mij heel lang in die illusie laten leven dat dat kan. Maar dat is een leugen. Want er is geen vrijheid. Er is een appel om te helpen. En die is eigenlijk heel natuurlijk en menselijk.

Maar.. Toch is er in deze parabel geen sprake van een open einde regeling! De hulp is voor twee dagen. Dat betekent: help niet ongelimiteerd. Stem goed af om te doen wat nodig is om het vervolgens de ander weer zelf te laten doen. Daarmee hou je ook de waardigheid van de ander in stand.. Dat laatste is belangrijk in de vluchtelingenproblematiek: aansluiten bij wat mensen zelf kunnen, niet alles overnemen maar mensen zelf dingen laten doen. Afgestemd helpen, dat is de tweede richtlijn die dit verhaal ons geeft.

Ook Gastheerschap is in de Bijbel van belang. Maar dit gastheerschap is aan impliciete regels gebonden. Je behandelt de gast als een koning maar ook de gast weet dat hij/zij te gast is en maakt geen misbruik van de gastvrijheid. Een gast geeft respect aan gastheer/-vrouw, dit steekt heel nauw. Na een paar dagen gast zijn is de gast nog wel gast maar steekt hij de handen uit de mouwen waardoor de afhankelijke positie opgegeven wordt. Veel vluchtelingen zullen hier voor langere tijd blijven en onduidelijkheid over hun positie als gast of inwoner schept verwarring. Er ligt wat mij betreft een opdracht aan ons allemaal om een brede maatschappelijke discussie te starten over de vraag: hoe geven we onze gastvrijheid vorm aan mensen die ongenode gasten zijn maar wel in ons land blijven. Die hun plek in gaan nemen. Of we het willen of niet. Daarvoor is orde en duidelijkheid nodig.

De tien Geboden ook wel regels genoemd geven die duidelijkheid. Ze waren in feite bedoeld om een woestijnvolk te leren hoe ze goed met elkaar konden samenleven. Ze geven richtlijnen hoe met elkaar te leven, ze geven ordening. Eert uw vader en uw moeder, heb u naaste lief als u zelf, wees niet jaloers etc. In de huidige maatschappij zijn veel ordeningsprincipes, zoals de tien regels, verdwenen. Dit komt door de secularisering, individualisering, de terugtrekkende rol van de overheid, het steeds groter wordende beroep op eigen verantwoordelijkheid. Hierdoor worden vragen als ‘ hoe bouwen we samen aan een goede samenleving, en hoe praten we daar met elkaar over’ steeds moeilijker te stellen en te beantwoorden. Want, wie mag waar iets over zeggen, wie mag moreel leiderschap tonen? Dit is wat mij betreft een moreel appel op de overheid en de verschillende groepen en partijen uit de samenleving om hierover met elkaar in gesprek te gaan, om je te verdiepen in elkaars standpunten, om dilemma’s en misschien wel taboes bespreekbaar te maken, om grenzen aan te geven, en om compromissen met elkaar te sluiten. Dat is democratie, dat is de samenleving, en dat is politiek: het gaat over de samenleving als geheel, en het gaat over onszelf. Dat kunnen we niet los van elkaar zien. Hoe kunnen we nu het gesprek met elkaar voeren over het vluchtelingenvraagstuk?

Ik wil op basis van de verhalen over gastheerschap, de barmhartige Samaritaan en de tien regels graag twee ordeningsprincipes met jullie bespreken: medemenselijkheid en de rechten van de vluchteling.

Ad 1) Medemenselijkheid
Wat mij bindt met iedere vluchteling is ons menszijn- we zijn uit het zelfde stof gemaakt, aldus het scheppingsverhaal. Ieder mens heeft de behoefte om gezien, gehoord, begrepen te worden. Om als mens behandeld te worden. Daarin is de vluchteling niet anders dan ik. Ook al ziet ie er anders uit, heeft ie andere waarden, andere ervaringen. Ieder mens in nood heeft het recht om geholpen te worden. En als hij/zij op mijn pad komt kijk ik niet weg maar help ik waar nodig is. Met een open hart, zonder morren en zonder tegenprestaties of dankbaarheid te verwachten. En als ik help probeer ik rekening te houden met wat de ander nodig heeft- dat wil zeggen dat ik een vegetariër geen vlees aanbiedt. Ik geef wat ik kan geven en geef niet meer dan nodig is anders maak ik de ander afhankelijk en dat beïnvloedt onze gelijkwaardigheid.

En in ieder mens is de natuurlijke drang om de ander te helpen. Dat is een normaal menselijk iets. Door betekenisvol te zijn voel je jezelf ook meer mens. Als ik wegkijk, als ik redenen bedenk om niet te hoeven helpen ben ik eigenlijk geen mens want ik ontken mijn menselijke behoefte om waardevol te zijn. Ook ontken ik, door niet te helpen dat ik zelf ook kwetsbaar ben, ik maak mijzelf groter dan de vluchteling en stel mij zelf boven hem of haar. Door te helpen kom ik dicht bij de ander en zie en voel ik het lijden van de ander en kan ik het afstand houden niet volhouden. Dan kan ik niet langer ontkennen dat de ander net zo’n mens is als ik. Als ik niet medemenselijk ben, dan laat ik een fundamentele menselijke waarde los en reduceer ik mij zelf als mens. Ik ben van God los die mij vraagt om de ander lief te hebben zoals ik mijzelf liefheb.

Door het negeren van medemenselijkheid komt een wrede kant van de mens naar boven. Dat is het beste recept voor chaos. Medemenselijkheid is een grote uitdaging op maatschappelijk niveau. Dat realiseer ik me. We leven in een individualistische samenleving. Ik mag zelf alles bepalen. Ik bemoei mij niet zomaar met een ander. Maar bij prangende vraagstukken zoals die nu met vluchtelingen en de zorg spelen kom ik er niet mee weg om alles bij een ander of bij de overheid neer te leggen. We worden uitgedaagd tot nieuwe persoonlijke antwoorden. Tot medemenselijkheid. Waar zit jouw medemenselijkheid?

Het gegeven dat de vluchteling uit het zelfde stof gemaakt is maakt ook dat ik hem of haar als medemens kan zien die niet alleen hulp nodig heeft maar met wie ik ook afspraken kan maken. Die ik aan kan spreken. Maar van elkaar ergens op aanspreken houden we niet zo in deze individualistische samenleving. Je komt dan al heel snel in het domein van de ander. Toch is dat nodig om ons vanuit ons menszijn te kunnen verhouden tot de vluchteling die hier komt. Van vluchtelingen hoor ik dat ze de indruk hebben dat hier alles kan. Het zou mij niet verbazen als we dat ook uitstralen. Maar dan heb je een probleem als je een vluchteling tegenkomt die waarden heeft die botsen met onze samenleving. Je mag als individu duidelijk zijn over hoe het gesteld is met een aantal fundamentele rechten én plichten in Nederland. Je mag en moet de vluchteling in het persoonlijke contact daarover spreken: mannen en vrouwen zijn gelijk. Wij accepteren geen huiselijk geweld. Homoseksualiteit is hier geaccepteerd. Wij accepteren geen discriminatie. We willen het gezicht van de vrouw zien. Handen geven is een teken van respect. Maar laten we niet vergeten dat de vluchteling ons veel kan leren over hoe het is om alles achter je laten, om opnieuw te moeten beginnen, statusverlies, over loyaliteit in familieverband, over je ouders eren.

Ad 2)De rechten van de vluchteling
Er zijn universele rechten van de mens: recht op veiligheid, onderdak, vrijheid van gedachten, van mening en meningsuiting etc. Het lijkt mij dat we daar niet aan mogen tornen. Deze rechten gelden voor iedereen waar hij/zij ook woont. Ik weet dat deze rechten in veel landen niet nagekomen worden maar als we een beschaafd land willen blijven moeten we aan deze zorgvuldig tot stand gekomen rechten niet tornen. Maar er zijn ook andere rechten die wel degelijk van belang zijn als we over het vluchtelingenvraagstuk spreken. Hebben vluchtelingen recht op burgerrechten zoals het recht op dezelfde voorzieningen als Nederlanders? Denk aan uitkeringen, huizen, stemrecht etc. Of moet hier een tijdspad achter zitten, en moeten vluchtelingen eerst laten zien dat ze loyaal zijn aan onze normen, waarden en democratie? Dat zijn belangrijke vragen voor discussie en dialoog.

Ik zie degenen die bang zijn voor problemen rond werk, inkomen, huizen, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst etc. in feite vragen om orde, om herordening. Die angsten geven in mijn beleving aan dat men het niet terecht vindt dat vluchtelingen dit soort mogelijkheden en rechten ‘zomaar’ kunnen krijgen. Het wringt, ze ervaren dit als niet rechtvaardig. En daar hebben ze wat mij betreft een punt. Omdat wij veel van die ordeningsregels los gelaten hebben zien we daar problemen door komen, nog los van het vluchtelingenvraagstuk. Zoals gezagsproblemen in het onderwijs, de zorg, enzovoort. Het vluchtelingenvraagstuk vraagt om orde en dat is een lastig punt voor onze samenleving. Het geven van burgerrechten is een manier van ordenen. Misschien moeten we zuiniger zijn met het geven van burgerrechten? Universele rechten van de mens gelden voor iedereen en misschien zouden bepaalde burgerrechten pas na een bepaalde tijd moeten worden gegeven. Dat is iets wat je verwerft. Het is een logisch gevolg van je inzet, je loyaliteit en je betrokkenheid. Het is een gunst geen recht. Daarmee doen we recht aan terechte gevoelens van onrechtvaardigheid.

Het vluchtelingenvraagstuk stelt ons dus voor vragen en uitdagingen. Op persoonlijk en op maatschappelijk niveau. Je kunt als mens en als burger niet doorgaan alsof er niets aan de hand is. Inschikken en delen is geboden. Het is een kans voor de maatschappij om opnieuw ordening aan te brengen. Maar het is voor de mens ook een kans om te laten zien dat ik mens ben omdat ik medemens ben, inwoner van Wijk bij Duurstede en Nederlander.

Maar hoe doe ik dat? Wat hebben we als samenleving en als individu nodig om niet helemaal van God los te zijn? Hoe voorkomen we conflicten? Uit mijn verhaal zijn een paar lijnen te trekken:
1. Open je hart voor iedereen die je pad kruist en die je hulp echt nodig heeft. Kies geen andere weg zodat je de hulpbehoevende ontwijkt, maar zoek de zwakkere op en help. Of het nu een vluchteling is of niet.
2. Erken dat de ander mens is, net als jij ook al lijken er meer verschillen dan overeenkomsten. Die ander is gelijk aan jou. Vanuit die menselijke gelijkwaardigheid kun je contact met de ander maken. Ga dat contact aan met de vluchteling maar ook met een Nederlander in een benarde situatie. Luister niet naar je angst. En wees geïnteresseerd in de waarden van de vluchteling en wees helder over de jouwe.
3. Als je de ander niet wilt zien als medemens ontmenselijk je jezelf en vervul je niet je opdracht er als mens te zijn voor de ander. Er zijn voor de ander geeft jouw leven betekenis als mens.
4. Geef niet ondoordacht hulp maar kijk wat de ander nodig heeft om verder te komen, op eigen benen te staan. Ieder mens heeft eigen kracht, ook vluchtelingen, ook Nederlanders die kwetsbaar zijn, daar moet men op aangesproken worden. Daarmee respecteer je de waardigheid van de ander en benadruk je de gelijkwaardigheid.
5. Realiseer je dat, als je te lang geeft zonder dat het echt nodig is, je de ander klein houdt en dat is niet mede menselijk.
6. Wederkerigheid is een normaal menselijk gegeven. Als je iets geeft, op individueel en op maatschappelijk niveau dan mag je iets terug verwachten. Dat is gewoon een basale natuurwet. Dat geven kan op verschillende manieren ingevuld worden: door te werken, door vrijwilligerswerk te doen, door loyaal te zijn aan de waarden en normen. Laten we duidelijk maken dat wederkerigheid normaal is in Nederland. En laten we dat niet alleen aan vluchtelingen duidelijk maken maar ook aan elkaar.
7. Welke waarden zijn voor jou waardevol? Hoe breng je die waarden in de praktijk? Sta voor je waarden en voor de dingen die jij waardevol vindt in de omgang met de ander, in de samenleving. Formuleer die en kom daar voor op. Wees duidelijk wat je verwacht en wat kan en wat niet kan. En communiceer dat in het eerste contact met de vluchteling. Zodat de ander weet waar jij staat en wat het betekent in Nederland te zijn. Het kan betekenen dat de ander tot de ontdekking komt dat Nederland niet de juiste plek is.
8. De huidige burgerrechten moeten opnieuw bekeken worden. Het geven van burgerrechten aan vreemdelingen ligt gevoelig en kan alleen als er maatschappelijk draagvlak is- anders komen er conflicten- de signalen zien we nu al. Sommige rechten kunnen pas worden gegeven als de vluchteling zich zichtbaar verbindt met de waarden die voor ons belangrijk zijn.

De confrontatie met vluchtelingenproblematiek vraagt van u/jou en mij dat we laten zien waar we staan.. Wat zijn onze (jouw, mijn) ankers, uitgangspunten, principes? In de omgang met de vluchteling, in de omgang met ieder mens. De Bijbel geeft een ordening met betrekking tot hoe om te gaan met je medemens, over gastheer- en gastvrouwschap en over hoe je je als gast opstelt. Een ordening die ons mens-zijn waar borgt. Ik heb gedeeld wat in mijn hart leeft en hoop dat het een bijdrage is, om eigen gedachten hierover te vormen en de dialoog met elkaar hierover aan te gaan.

Terug naar boven, datum plaatsing: 15 oktober 2015

"Laudato si´ is een oproep om te stemmen", Willem Marie Speelman, Franciscaans Studiecentrum

Het eerste dat een violist doet, als hij wil gaan spelen, is de snaren van zijn instrument stemmen. Stemmen betekent in goede, zuivere verhouding brengen, zodat de trillingen van de ene snaar de trillingen van de andere versterken. Als je niet goed gestemd hebt klinkt de muziek vals. En als je wel goed gestemd hebt klinkt alles mooi. Ik heb trouwens ook eens meegemaakt dat de dirigent Willem Vogel zijn koor afstemde op de galm van de ruimte. Want ook de omgeving doet mee in de muziek.

In zijn brief Laudato si’ – verwijzend naar Franciscus van Assisi’s Lofzang van de schepselen – roept paus Franciscus de wereld op zich af te stemmen op de wereld in ons en om ons heen, zodat wij weer in goede verhouding zijn. Een goede verhouding wil overigens niet altijd zeggen een octaaf of een kwint; kleine, maar goed gestemde intervallen – zogenaamde ‘dissonanten’ – kunnen wel degelijk wringen, spannend klinken, op een ‘oplossing’ vragen. Waar het om gaat is dat de wereld, en ieder individueel mens, beseft deel uit te maken van één alles omringende en doordringende natuur. “We vergeten dat we zelf aarde zijn”, schrijft de paus (Laudato si’ nr. 2). We leven er hoe dan ook in verhouding mee, al is die verhouding in veel gevallen vals en onverschillig. Hoeveel mensen zien hun leefomgeving niet als een reservoir waaruit zij ongelimiteerd kunnen pakken wat zij maar willen, en ongelimiteerd kunnen dumpen wat zij maar kwijt willen! Daarmee doen zij noch hun leefomgeving noch henzelf recht. De paus roept op tot het besef te komen dat het schaden van de natuur hetzelfde is als het schaden van onszelf. Deze oproep is des te indringender omdat paus Franciscus er onmiddellijk onze verhouding tot de armen en verdrukten in betrekt, en oproept “om zowel naar de kreet van de aarde als naar de kreet van de armen te luisteren.” (nr. 49).

Een goede verhouding heeft de eigenschap zichzelf te bewaren. Als mensen zuiver zingen, dan zijn zowel de zangers als de luisteraars erop bedacht de zuivere akkoorden op geen enkele wijze te verstoren. Net zo zullen wij, als wij ons goed verhouden tot onze medemens en onze leefomgeving vanzelf respect voelen en eerbied. Respect en eerbied geven de natuur en de medemens een eigen ruimte, die wij niet dan met de grootste voorzichtigheid zullen benaderen. Tegelijkertijd – en hier is paus Franciscus origineel franciscaans en ignatiaans! – geeft een goede verhouding diepe en blijvende vreugde. Hij noemt hierbij de naam van Franciscus van Assisi, die “het voorbeeld bij uitstek is van de zorg voor wat zwak is, en van een integrale ecologie die met vreugde en authenticiteit wordt beleefd” (nr. 10).

Spiritualiteit is een betrekkingsgebeuren dat de betrokkenen naar elkaar toe verandert. Dit betekent dat een goede verhouding met de natuur ons natuurlijker maakt, en dat een goede verhouding met de mens ons menselijker maakt. Voor sommigen komt dan natuurlijk de vraag: maakt een goede verhouding met God ons goddelijker? Augustinus, en die kan het weten, vind van wel: hij zei immers dat God mens geworden is, opdat de mens God wordt. Wat dit ook moge betekenen, feit is dat goed gestemde klanken elkaar versterken; en als wij de ander en de natuur ruimte geven krijgen ook wij zelf meer ruimte. Deze elkaar versterkende ruimte is de enige echte vervulling van de leegte die ons volgens paus Franciscus tot consumenten en bezitters maakt. Want “hoe leger het hart van een persoon is, des te meer behoefte heeft hij aan het kopen, bezitten en consumeren van objecten” (nr. 204).

Het is opvallend hoeveel luister er in de oproep van de paus zit: hij luistert naar zijn voorgangers, naar de bisschoppen, naar denkers en doeners, wetenschappers en gelovigen, idealisten en uitgestotenen. Hij luistert uiteindelijk naar iedereen. En zijn antwoord is niet inhoudelijk, in de zin dat hij zegt wat wij allemaal moeten doen. Hij is, zoals bekend, veel persoonlijker. Hij zegt eigenlijk: “Keer terug tot de goede verhouding, en doe wat je hebt te doen.” Als voorbeeld noemt hij bijvoorbeeld ook Theresia van Lisieux, die mensen laat zien dat “een integrale ecologie ook bestaat uit eenvoudige dagelijkse gebaren, waarbij wij de logica van geweld, uitbuiting en egoïsme doorbreken” (nr. 230).

Maar de echte luister zit in het citaat van het Zonnelied, waarin Franciscus uitdrukking geeft aan wat hij hoort en ziet: de natuur, in ons en om ons heen, is een broeder- en zusterschap, waarin de goede verhoudingen zelf een zuivere lofzang zijn op de Schepper. Zo eenvoudig, zo mooi!

Willem Marie Speelman
Franciscaans Studiecentrum
Op 31 oktober zal ik op het congres Poverty: Problem and Path spreken over Franciscus’ verlangen naar een arme kerk voor de armen.

Terug naar boven, datum plaatsing: 29 september 2015

"Verliest de kerk zich in regels die niets met de boodschap van Jezus te maken hebben?",
Fred van Kan, voorganger r.k. geloofsgemeenschap St. Franciscus Xaverius

“Luister nu, Israël, naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer en handel en breng ze stipt ten uitvoer, want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken”, zo lazen we uit het boek Deuteronomium. Deze woorden werden opgetekend in de tijd van koning Josia van Juda, die zich in de zevende eeuw voor Christus onafhankelijk maakte van de Assyriërs en zich inzette voor goede wetgeving. De Joden waren ervan doordrongen dat hun samenleving pas goed functioneerde en dat zij hun onafhankelijk alleen konden behouden, als zij zich hielden aan het verbond met Jahweh en aan de wetgeving die, zo zagen zij dat, door Hem aan de Joden gegeven was. De wet of de Thora, die in deze periode vorm kreeg en werd opgetekend, zou voor altijd het richtsnoer blijven voor het leven van de Joden. Het was met die wet dat Jezus opgroeide en het was die wet waar hij zich door liet leiden.

De boodschap van de evangelielezing lijkt daar haaks op te staan. In zijn twistgesprek met de godsdienstige leiders van zijn tijd, de farizeeën en schriftgeleerden, schuift Jezus de oude tradities terzijde, althans, daar lijkt het op. Maar is dat ook werkelijk zo? De kritiek die Jezus uit, is gericht op de regels die in de loop van de eeuwen zijn toegevoegd aan de aloude Thora, aan de Wet van eeuwen her. Regels die bijvoorbeeld stellen dat iemand die met onreine handen eet, niet tot God kan naderen. Jezus maakt bezwaar tegen een godsdienstig leven dat bestaat uit het navolgen van deze en andere praktische regels. Hij maakt er bezwaar tegen dat de farizeeën zijn leerlingen verwijten met ongewassen, onreine handen te eten, terwijl zij zelf geen acht slaan op waar het in de kern van de Wet omgaat, om werkelijke reinheid, werkelijke zuiverheid. Jezus wijst de farizeeën er op dat de zuiveren van hart zich te weer stellen tegen “kwade gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, gemeenheid, bedrog, bandeloosheid, jaloezie, laster, hoogmoed, lichtzinnigheid”. Daar gaat het om en niet om allerlei uiterlijk vertoon. In zijn reactie grijpt hij terug op de schriften en haalt de profeet Jesaja aan: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. Hun verering stelt niets voor; wat ze als ware leer brengen, zijn voorschriften van mensen. U laat het gebod van God los en houdt vast aan de traditie van mensen.”

De eeuwen door is dit verhaal van Jezus en de farizeeën gelezen, binnen en buiten de kerken. Ook in het dagelijks leven drong de kern van deze geschiedenis door en kwam de benaming farizeeër in gebruik voor een huichelaar, een schijnheilige, iemand die zich goed voordoet, maar waar je eigenlijk niets aan hebt. Zo iemand willen we niet zijn en zijn we ook niet. Maar is dat werkelijk zo? Hechten we eigenlijk niet heel erg aan regels?
En ook: durven wij onze stem te verheffen als onze samenleving of de kerk zich verliest in regels en voorbijgaat aan waar het in het leven werkelijk om gaat?
Als je je in onze kerk te weer stelt tegen aangeslibde regels, tegen verstarde tradities en die stelt tegenover de kern van het geloof, dan kom je in grote moeilijkheden. Toch denk ik dat het van groot belang is om te blijven wijzen op het onderscheid tussen de boodschap van Jezus van Nazareth en de regels van mensen die in de vele eeuwen daarna zijn ontstaan. Een voorbeeld: twee weken geleden werd in onze kerk een jongetje gedoopt. Het was een inspirerende dienst, geleid door Josephine van Pampus, onze pastoraal werkster. Maar zij mocht het doopsel niet toe dienen omdat zij niet tot de kring van gewijde ambtsdragers behoort. Op grond van de traditie zoals die in de loop van de eeuwen in de rooms-katholieke kerk is gegroeid, zijn het mannen die de kerk schragen, priesters en diakens. In Jezus’ prediking komt de kerkelijke hiërarchie niet voor, wel roept hij leerlingen, mannen en vrouwen. De hiërarchie is in de loop van de eerste eeuwen gegroeid. Daarbij was het heel begrijpelijk dat van meet af aan degenen die leidende functies in de kerk vervulden, mannen waren. In de maatschappij voerden de mannen immers eeuwenlang eveneens de boventoon. Maar de tijden zijn gelukkig veranderd. Het ontzeggen van het verlof tot dopen aan onze pastoraal werkster beschouw ik als een regel die niets te maken heeft met de blijde boodschap van Jezus. In het licht van die boodschap zou aan vrouwen niet de mogelijkheid ontzegd mogen worden van het priesterschap en het diaconaat. In het licht van die boodschap zou voor de doop twee weken geleden niet een diaken met sacramentele macht zijn opgeroepen.
Bij een doop gaat het immers ook om opnemen in de gelovige gemeenschap. En wie kan dan beter dopen dan de pastor uit die gemeenschap, die de mensen kent, of dat nu een vrouw of een man is.
En zo zijn er meer regels en richtlijnen. Alle reden dunkt me om onze kerk kritisch te blijven bevragen, niet om het conflict te zoeken, maar wel om ruimte te scheppen, in dit geval ook voor vrouwen in onze kerk.
Belangrijk dus om je bij regels telkens af te vragen, welke waarde zij hebben, of ze nog steeds nuttig zijn en zo niet om je nek uit te steken om tot verandering te komen.
Maar minstens zo belangrijk vind ik het, hoe ik in mijn persoonlijk leven omga met Jezus boodschap van vanmorgen: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. Hun verering stelt niets voor; wat ze als ware leer brengen, zijn voorschriften van mensen”.
Hoe ziet mijn leven van dag tot dag er uit? Stel ik mij werkelijk open voor zijn boodschap of eer ik hem met de lippen en vind ik het wel genoeg om te denken dat Jezus een interessant programma verkondigde, waar je mooi over kunt filosoferen, stof misschien tijdens een programma Zomergasten en blijft het daarbij? Vind ik het voldoende om mee te discussiëren over het vluchtelingenvraagstuk en huldig ik dan een ruimhartig standpunt, maar sluit ik mijn deur als er werkelijk een beroep op mij wordt gedaan? Bied ik op mijn werk ruimte aan medewerkers, of val ik liever terug op regeltjes en procedures en maak ik het mij zo gemakkelijk? Doe ik mij goed voor door sociaal wenselijk gedrag te vertonen maar is dat alleen de buitenkant? Houd ik mij aan ongeschreven regels in onze samenleving of ga ik daaraan voorbij en zet ik een stap verder? Ik doel dan op regeltjes als: voor wat hoort wat, laat hem of haar maar de eerste stap doen, zij zijn nu aan zet, ik heb de laatste keer gebeld, nu zijn zij aan de beurt… En ga zo maar door. Volg ik de stem van mijn hart of laat ik mij blokkeren door de kaders van onze maatschappij?
Knap lastig is dat, vindt u niet? Bovendien vind ik het op zondagmorgen veel eenvoudiger dan op maandagmorgen...
Een wijsheid die in het boek Spreuken is opgetekend kan ons denk ik op weg helpen: “behoed je hart meer dan alles wat je moet behoeden, want daar ontspringt de bron van het leven”. Als je alle belemmeringen aflegt, als je diep in jezelf afdaalt, je innerlijk vrij maakt, werkelijk je hart volgt, dan komt in jou en mij die ander, ouder, aan het licht en laait in ons op een vuur van visioenen, dat het aanschijn van de aarde kan vernieuwen. Dan leven we naar Gods wet.

Fred van Kan.

Fred van Kan is een van de voorgangers van de progressieve r.k. geloofsgemeenschap St. Franciscus Xaverius aan het Zand te Amersfoort,de voormalige Omroepparochie. Hij is van huis uit historicus en in het dagelijks leven algemeen directeur van het Gelders Archief in Arnhem.

Terug naar boven, datum plaatsing: 3 september 2015

"Moed en vrijheid", Joris Vercammen, oud-katholiek aartsbisschop van Utrecht

Het fenomeen van de heropleving van de religie zorgt nog steeds voor het nodige debat. Daarbij is er vaak sprake van de nodige verwarring omdat het fenomeen op zich ook zo veelzijdig is. Kerken stellen zich in dat debat doorgaans sterk defensief op. Het lijkt hen er vooral om te doen om als instituten niet langer terrein te verliezen zonder dat ze zich werkelijk verhouden tot zowel de angsten als de verwachtingen die ten aanzien van de religie in de samenleving spelen. Kerken komen niet echt over als bondgenoten van hen die het goed voor hebben met de samenleving omdat ze te zeer naar binnen gericht zijn. Daardoor gaan ze voorbij aan mogelijkheid om de eigen religieuze overtuiging aan te bieden als een bron van wijsheid die fundamentele dingen te zeggen heeft over mens en schepping. Daarnaast verspeelt men de kans om te laten zien dat het heilzaam is voor een mens om te aanvaarden dat men de werkelijkheid niet geheel begrijpen laat staan ‘bemeesteren’ kan. Het leven van mensen is groter dan wat in menselijke woorden en begrippen uit te drukken valt. Dat betekent dat ook geloven nooit alleen maar een resultaat van redenering of analyse kan zijn en God nooit de uitkomst van enig bewijs. Geloven in God dringt zich eerder op aan een mens vanuit de ervaring die samenhangt met een bepaalde wijze van leven.

Geloven is uiteindelijk zelf een verhaal worden dat vertelt van Gods aanwezigheid omdat die aanwezigheid zich aan je opdringt. Geloven is daarom meer dan een religieus systeem met een leer, discipline en moraal. Immers, wanneer die leer, discipline en moraal niet meer de uiting zijn van de genoemde ervaring, zijn ze niet meer dan een kunstmatig houvast voor bange mensen. Wanneer ze echter wel zichtbaar uit de genoemde ervaring voortgekomen zijn, dan betekenen ze een bijdrage aan leven en samenleven die in staat is de kwaliteit ervan extra kracht bij te zetten. Daarom doet een samenleving die de ervaringen van gelovigen wil opsluiten achter de voordeur zichzelf tekort.

Maar ook kerken doen het geloof tekort als ze het opsluiten binnen individuele kaders. Geloof heeft alles met de sociale en politieke context te maken, omdat dat ook de contexten zijn waarin het leven van mensen zich afspeelt. Daarbij gaat het er niet om dat de kerken een soort van activistische stoottroepen zouden worden, maar wel dat ook in die context hun roeping waarmaken. Kerken zijn namelijk geroepen om overal en altijd op te komen voor de waardigheid van elke mens en voor de gelijkheid van alle mensen. Het evangelie als neerslag van de levenspraxis van Jezus leert ons dat we aan elkaar gegeven worden en dat we dus goed voor elkaar moeten zorgen. Dat veronderstelt dus een sociaal en een politiek engagement. Daarbij is de dienstbaarheid van de kerken van groot belang. Kerken zijn toch bondgenoten van allen die het goed voor hebben met de mensen? Het gaat er ook op dit punt niet om de samenleving naar de ‘kerkelijke hand te zetten, maar om dienstbaar te zijn van Gods’ liefde. Dat kan niet anders dan ook zelf-relativering inhouden. Ik wens de kerken naast de nodige moed, hierbij ook nog wat meer vrijheid toe!

+Joris Vercammen, oud-katholiek aartsbisschop van Utrecht.

Terug naar boven, datum plaatsing: 2 juli 2015

"Welkom, Oorsprong van binnen", André Wesche, Dominicus Amsterdam, Pinksteren 2015

Afgelopen Hemelvaartsdag organiseerden een aantal kerken in Amsterdam-Zuid een ochtendviering in het Beatrixpark. Een honderdtal mensen verzamelden zich op de weide omgeven door het park dat in de ban was van de lente, een groei-explosie van groen,geel en wit. Spannend om iets gevoeligs en intiems als geloven zo in de buitenlucht te doen en niet in de bescherming en veiligheid van het eigen kerkgebouw. Het is zoiets als vrijen in de openlucht, razend spannend en soms onweerstaanbaar, maar er moet niemand met zijn hondje voorbijkomen. Zij deden het met lied en muziek en woorden om Jezus echt uit te zwaaien en los te laten en daardoor de nieuwe lente in te snuiven. Wie loslaat, schept ruimte voor iets nieuws. Op het liturgieblaadje, dat iemand mij toespeelde, ik was er helaas niet bij, stond een klein gedicht van een Engelse dame uit de 19e eeuw en dat trof mij. Ik lees het u graag voor:

De aarde zit boordevol hemel
en elke struik, hoe gewoon ook,
staat in lichterlaaie van God.
Maar enkel hij die het ziet
doet zijn schoenen uit.
De rest zit eromheen
en plukt bramen.

Elzabeth Barret Browning (1806-1861)

De eerste zin hakt er meteen in. Een stelling, een ontdekking: De aarde zit boordevol hemel. Dat zouden wij anno nu niet meteen zeggen. De media schilderen een ander beeld: de aarde staat op springen. De ijsbergen smelten rap, de lucht vol fijn stof, de grond vervuild en leeggehaald, zodat ze beeft van ellende. En dan de mensen. Ze voeren oorlog, verwoesten elkaar en laten elkaar op zee ronddobberen want de havens blijven dicht. In het groot en in het klein is er onrust, zakt de moed ons in de schoenen en we vluchten in afleidingen om die ellende even te vergeten. Dat is die Engelse dame zeker ook gelukt op haar landgoed ver weg van de ziekmakende armoede van gewone mensen. De vrome prietpraat van de welgestelden die zich een hemel op aarde kunnen veroorloven. Zonder hasj toch high! Is die eerste zin geestelijke opium, een vlucht ? Of gaat het toch om een ontdekking? Dat de hemel geen droomeiland is ver weg, maar een aanwezigheid die zich verbergt in de werkelijkheid. De hemel is geen plaats, maar een relatie. De hemel is de hoogte, die diepte en de breedte van de aarde. De horizon, de oorsprong en de dragende grond. Hemel en aarde horen bij elkaar zoals geliefden, ze vormen een bruidspaar, een twee-eenheid die niet zonder elkaar kunnen bestaan. U voelt al nattigheid, als ik dit zo zeg. Het gaat over God en mensen. Een intense verbondenheid tussen hemel en aarde die zichtbaar is in elke struik, hoe gewoon ook .Een struik die in lichterlaaie staat van God. Dit gaat over de brandende braamstruik die Mozes ontdekt in de woestijn. Het vuur waarin God zich bekend maakt, zijn Naam openbaart. Dit is het Pinkstervuur dat de leerlingen uitstralen als ze naar buiten gaan en spreken in een taal die velen verstaan. Liefdesvuur, dat tegelijk brandt en niet verbrandt. Liefde die heel laat en maakt. Bijzonder vuur!

Maar ja, wie ziet dit? De dichteres zegt: Maar enkel hij die het ziet/ doet zijn schoenen uit. De rest zit eromheen en plukt bramen. Er dient zich een tweedeling aan. Er zijn mensen die oog in oog met de werkelijkheid hun schoenen uitdoen. Met blote voeten op de aarde gaan staan en daarmee open en ontvankelijk de relatie tussen hemel en aarde aangaan. En er zijn anderen die eromheen zitten en bramen plukken, zich te goed doen en genieten van de vruchten van de aarde. Zieners en zitters. Mensen wier ogen zijn ge-opend en mensen die zich blindstaren op wat is, vrucht gebruikers die de levende bron niet zien. Ook de leerlingen zaten bijeen met elkaar en hun verhalen, maar de deur was dicht uit angst voor de buitenwereld die hen niet welgezind leek. Opgesloten en afgesloten van buiten, van de werkelijkheid waarin de adem van de Levende waait zoals zij wil, ongrijpbaar maar wel voelbaar. Het is in veel verhalen een beslissend thema: jullie hebben ogen maar zien niet; jullie hebben oren, maar horen niet; jullie hebben een hart maar hebben niet de moed om te kiezen; jullie zijn bevrijd, maar laten je vangen door de idolen van macht en geld. Alsof het leven dat we leiden ons als het ware inpakt en onze levensadem oppervlakkig en angstig doet bewegen in zelfbehoud. Alsof er over ons leven een grauwsluier hangt die ons het zicht beneemt en doet vergeten wie we zijn. Hoe beeldend vertelt Genesis ons niet wie ze zijn. Iemand heeft als een kunstenaar ons geboetseerd uit klei en stof van de aarde en toen zijn levensadem in geblazen, waardoor we een levende ziel, een levend wezen werden. Aarde en adem zijn wij. Uiterst kwetsbaar en breekbaar en tegelijk bezield met goddelijke adem. Voor een tijd een plaats van God, zoals de dichter Gerrit Achterberg schrijft. Een wonder dat we er vandaag zijn. Maar ja, dat weten over wie we ten diepste zijn verliest het van het moderne spreken over de mens als een breinmachine, als een consument, als een getal in de statistieken. We zitten en eten bramen en durven onze schoenen niet meer uit te doen en in echtheid voor mysterie van de werkelijkheid te gaan staan, vol huiver en verwondering. Kan het hemelse licht ons nog raken en verlichten of zijn we liefhebbers van het vertrouwde en bestaande geworden, veilig in het donker?

Vandaag vieren we Pinksteren, Pentacoste, de vijftigste dag na Pasen. Alsof Pasen, de bevrijding uit de dodelijke slavernij van Egypte pas nu echt werkelijkheid wordt. Onze joodse broeders en zusters vieren op de 50e dag na Pasen het Wekenfeest. Het feest van de verbondssluiting op de Sinai. God de Levende daalt af en sluit met zijn volk een liefdesverbond. Vanaf nu woont de Levende in ons midden als vuur. De Sjechina, Gods inwoning, verbindt hemel en aarde tezamen, zoals twee mensen in liefde verbonden worden. Die liefde heet vandaag de Geest. Een woord dat vaag en zweverig is geworden en zijn aardse en krachtige betekenis heeft verloren. In de verhalen die we vandaag hoorden is de geest een kracht, een stormwind, vuur dat in beweging zet en bezielt, levenwekkend als adem die onze neus wordt ingeademd door de Schepper en door de Messias. Het gaat om Geestkracht die ons verlost uit het gevangen zitten in onszelf, uit onze ivorentoren van de angst, uit ons machtspel met de wereld en de natuur. De Geestkracht brengt ons terug in de verbinding, in de relatie met de ander, in de liefde die God is. Want liefde is: willen dat de ander er is. Daar gebeurt de openheid, de dynamiek en de nieuwe vitaliteit waar wij als vijftig jarige Abraham en Sara naar zoeken. Oude mensen kunnen verbazingwekkend jong van geest worden als ze gesloten deuren en ramen laten openwaaien. Als ze durven zingen en vragen: Kom Schepper Geest, daal tot ons neer, bron waar uit het leven springt,liefdesvuur dat ons doordringt, verlicht ons duistere verstand. Net als in de adventstijd voor kerst zingen we met pinksteren om het komen van de hemel. Wat een lef om daarom te vragen. Welkom, Oorsprong van binnen.

Gelezen: Handelingen 2,1-11; Genesis 2,4-8; Johannes 20,19-23.

Terug naar boven, datum plaatsing: 26 mei 2015


Kerken in Keistad is een programma van de Raad van Kerken Amersfoort.

Klik hier om terug te gaan naar de hoofdpagina.